15.3.16

Petőfi en zijn wijnliederen


Sándor Petőfi

Vandaag wordt in Hongarije het uitbreken van de revolutie van 1848 herdacht. De opstand was de aanzet tot een onafhankelijkheidsoorlog, waarin het land meer autonomie eiste binnen het Habsburge keizerrijk. Een van de prominente figuren tijdens de revolte was de dichter Sándor Petőfi. Deze jonggestorven man wordt in het land beschouwd als een nationale held. Zijn bekendste werk is het revolutionare gedicht ’Nemzeti Dal’ (Nationaal Lied), dat hij op 15 maart voordroeg aan een menigte opstandelingen. Hierin stelt hij de onderdrukking door de Habsburgers aan de kaak en roept hij op tot het afgooien van de ketenen. Wat deze informatie doet op mijn blog over Hongaarse wijnen? Petőfi schreef niet alleen revolutionare gedichten. Hij schreef ook zogenaamde wijnliederen, gedichten over wijn. Hieronder een bloemlezing.

Wijnlied
In zijn gedicht Wijnlied (Bordal) uit 1848 legt de dichter op wonderlijke wijze een link tussen de onderdrukking en de drank. We lezen dat hij in zijn rechterhand een zwaard heeft. Over zijn linkerhand hoeven we ons geen zorgen te maken, want die hangt er heus niet doelloos bij. Die heeft namelijk een glas vast. En de bedoeling is dat we met onze held meedrinken. Hij oefent zelfs wat druk op ons uit, want o wee, je drinkt toch voor je vaderland? En voor zover je het niet mocht weten: wijn is de belichaming van de moed. Daarom moeten we samen met Petőfi drinken.

Liefde en wijn
De andere wijnliederen zijn een paar jaar eerder geschreven. In Liefde en wijn (Szerelem és bor) nodigt de dichter ons uit om een wandeling te maken door de tuin der liefde. En als de zon daar te fel schijnt, als we het te warm krijgen, moeten we de koelte van de wijngaard opzoeken. Waarbij we niet moeten vergeten te drinken.

De wijndrinker

Caravaggio: Bacchus

De wijndrinker (A borozó) is een ode aan Bacchus en de wijn. De drank doet Petőfi de ellende in de wereld vergeten. Als hij een glas of wat opheeft, kan hij tenminste vrolijke liederen zingen. En natuurlijk de vrouwen vergeten, die zijn immers niet te vertrouwen. Het slot van het gedicht is behoorlijk dramatisch. „Als de dood me opzoekt terwijl ik aan mijn wijntje zit, neem ik een slok. Waarop ik dan lachend in de koude schoot van het kerkhof val”.

Tijdens het drinken
In zijn gedicht Tijdens het drinken (Ivás közben) vraagt Petőfi zich af hoeveel glazen hij al op heeft. Vijf? Vijf maar? Terwijl hij anders wel dub-dubbel zoveel wijnen op kan: En nu is hij al teut na vijf glazen. Hij begint met dubbele tong te praten en komt niet meer goed uit zijn woorden. Heeft het over Sex … Rex … hoe zat het ook alweer? O ja, Xerxes. We moeten niet denken dat het allemaal door de wijn komt, hoor. Nee joh, ben je gek! Onze dichter kan normaal echt wel tegen wijn. En vervolgens houdt hij niet meer op met praten. Gelukkig heeft hij dat zelf ook in de gaten. „ Ik klets en ik klets maar”, schrijft hij. „Terwijl ik dorst heb. Schenk me eens een glas wijn in! Anders draait de molen niet.” Hierna heeft hij het over Falstaff en nog andere dingen. Waarop hij de draad kwijt is. „Waar was ik nou gebleven? Iets over een molen? Of niet?” Hij heeft echt geen idee. „Al zouden ze me in een wijnpers stoppen, ik zou het nog niet weten.” Waarop de dronkenlap besluit om maar naar bed te gaan en ons welterusten wenst.

Wijnlied op muziek
Wijnlied (Bordal) uit 1848 is ook op muziek gezet door een duo, dat zich 48 noemt. Het is niet erg hoogstaand en een beetje vals, maar wel aardig om naar te luisteren.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen